Leven na het fossiele expressionisme. Hoe krijgen de energielandschappen van morgen vorm?

Eind 2016 en begin 2017 organiseerden IABR, Architecture Workroom, het Team Vlaams Bouwmeester en VRP zeven werk- en debatsessies onder de ambitieuze titel Designing the Future. Daarin gingen we op zoek naar een gedeelde agenda voor het ontwerpen aan een betere toekomst. De energietransitie als ruimtelijke opgave was het onderwerp van één van die sessies. De klimaatopwarming, maar ook andere ecologische en geopolitieke redenen maken een shift van fossiele en nucleaire energie naar hernieuwbare energie noodzakelijk. Die omslag zal een grote impact hebben op ons landschap. Hoe organiseren we die energietransitie in het versnipperde landschap dat onze regio kenmerkt en waar ruimte schaars is? Of andersom, hoe kunnen we de energietransitie aangrijpen om de inrichting van onze leefomgeving en het bijhorende landschap grondig te herdenken?

Designing the Future
© Tim Van de Velde

De energietransitie is onlosmakelijk verbonden met het landschap

Door de transitie naar hernieuwbare energie zal energie opnieuw een veel grotere impact hebben op onze ruimte. De decentraal opgewekte energie neemt letterlijk meer ruimte in beslag, voor windmolens en energiegewassen; ze wordt opnieuw meer zichtbaar in het landschap, getuige de vele zonnepanelen op de daken; maar ze kan ook verstedelijkingspatronen gaan sturen, in het geval van bijvoorbeeld warmtenetten, die gebruik maken van restwarmte of een geothermische bron, en waar een minimale dichtheid aan afnemers vereist is om rendabel te zijn. Onze landschappen worden, zoals vroeger ten tijde van de windmolens, de turfwinning, de boslandschappen of de steenkoolmijnen, terug productielandschappen.

De ruimtelijke organisatie heeft ook een grote impact op het energieverbruik. Onze energieverslaving hangt in grote mate samen met het versnipperd nederzettingspatroon in Vlaanderen. In een verspreide woonomgeving gebruiken we meer energie voor transport, is de kritische massa aan afnemers in verhouding tot de aan te leggen installaties en infrastructuren laag, en is de warmtevraag – door de weinig compacte bebouwing – hoog. De ‘urban sprawl’ in Vlaanderen is mede het gevolg van relatief goedkope en makkelijk beschikbare energie, van het over de ganse regio uitrollen van mobiliteits- en energie-infrastructuren om de verspreide woondroom te faciliteren, maar naar een echte koppeling tussen de wereld en de logica’s van de ontwerpers en energie-techneuten, is het nog ver zoeken.

Nu we voor de taak staan om onze samenleving op een koolstofarme manier herin te richten, is de eerste grote opgave, het terugdringen van het energieverbruik, bijgevolg ook een ruimtelijke opgave. Maar ook het oogsten, opslaan en verdelen van hernieuwbare energie, decentraler, zichtbaarder, en veel meer verweven met andere functies in ons woon- en werklandschap, vergen een aanpak waarin energiedeskundigen en planners elkaars taal moeten leren spreken.

Trends in de energietransitie Bron: Lage Landen 2030-2100, Architecture Workroom, geprojecteerde cijfers [Sijmons,Dirk (et. al.); Landscape and Energy, designing transition, nai010 publishers, Rotterdam, 2014 / Posad (et. al.); Energielandschap Vlaanderen, Labo Ruimte, Ruimte Vlaanderen, Vlaams Bouwmeester, 2015 / CBS, 2015 / Statbel, 2015]

Elke regio, elk landschap heeft zijn laadvermogen

Verschillende hernieuwbare energiebronnen hebben – inclusief alle nodige buffers – elk ook een verschillende ruimtevraag of voetafdruk per eenheid geproduceerd vermogen. Ervan uitgaand dat we de huidige energievraag van Nederland en Vlaanderen 100% willen aanleveren met eigen productie, zouden zelfs alle beschikbare daken niet volstaan, maar hebben we meer dan vier keer de huidige dakoppervlakte nodig. Willen we diezelfde energievraag afdekken met windenergie, dan moeten we Vlaanderen en Nederland volledig vol plaatsen met windmolens, geen rekening houdend met huidige bebouwing of ander ruimtegebruik, en nog steeds is dat onvoldoende.[1]

Als elke technologie een verschillende ruimte-inname heeft, heeft elk landschap bijgevolg een bepaald energetisch laadvermogen. In binnenstedelijke gebieden kan men de grootste winsten boeken door het reduceren van het energieverbruik, door een andere mobiliteit te stimuleren, door stedelijke verdichting te organiseren rond warmtenetten en door zonne-energie te oogsten op de vele daken. In havens en industriegebieden kan  gedacht worden aan de uitwisseling van restwarmte en aan tijdelijke installaties van PV-panelen op braakliggende terreinen. In het buitengebied, rekening houdend met de waarde van het landschap, is meer plaats voor grote windturbines. En op zee kunnen, in samenwerking met andere landen, grootschalige windenergieparken[2] gebouwd worden.

2050–An Energetic Odyssey is een installatie met een twaalf minuten durende animatie die
antwoord geeft op een ogenschijnlijk simpele vraag: ‘Stel dat we het twee graden klimaatdoel serieus nemen, wat moeten we dan doen?’ Focus van de Odyssey is de Noordzee. Klapstuk zijn 25.000 windturbines van 10 MW waarmee in 2050 ongeveer 90% van de elektriciteitsbehoefte van de Noordzeelanden kan worden gedekt.
www.iabr.nl/nl/film/2050_webvideo
© IABR, H+N+S, Tungsten

Een eerste stap in de aanpak van de energietransitie is het in kaart brengen van de potentie per regio en per bron. Verschillende ontwerp- en onderzoeksteams maakten al dergelijke potentiekaarten voor Vlaanderen en Nederland[3].

De opgave voor de energietransitie is dermate groot, dat we op alle schaalniveaus tegelijk moeten inzetten: zowel op minder verbruiken als op meer produceren, en dat via een mix aan hernieuwbare bronnen, en zowel in stedelijk als in buitengebied, en met betrokkenheid van vele actoren. Op die verschillende schaalniveaus wordt reeds gewerkt aan de energietransitie. Via allerlei premies worden individuele burgers aangezet tot een reductie van hun huishoudelijk energieverbruik. Steden experimenteren met energieneutrale wijken. Op bovenlokaal niveau ontwikkelen een aantal regio’s of provincies al scenario’s voor de energietransitie en onderzoeken ze in welke mate en met welke energiemix ze kunnen streven naar energie-neutraliteit. Voor elke regio is dat maatwerk, afhankelijk van de beschikbare bronnen, maar in grote mate ook van de stedelijke dichtheid.

Lage Landen 2030-2100, Het Energie-Drieluik, inzetten op de verschillende schaalniveaus: Energiewijken, Stadslandschappen en Grootschalig Schakelen © Sannah Belzer / Architecture Workroom

Door de vaak grote regionale verschillen in type landschap en bijhorende energiepotentie, lijkt de regio[4] het meest geschikte schaalniveau om, via ontwerpend onderzoek, van start te gaan met het uittekenen van toekomstscenario’s. Maar omdat niet elke regio zelfvoorzienend kan zijn, is er ook nood aan een meer top-down strategie die, op basis van de potentieel te oogsten energiewinsten in verschillende gebieden, een taakstelling voor reductie en productie aan de verschillende regio’s toekent.

Opschalen – van project naar proces

Behalve aan een taakstelling per regio, hebben we ook nood aan projecten van een behapbare schaal, op buurt- of wijkniveau. Dat wijkniveau is een logische schaal in een decentraal energiesysteem waar we meer willen inzetten op het lokaal produceren en uitwisselen van energie, en daarom ook een belangrijke schakel in de energietransitie. Bovendien hebben ingrepen op wijkniveau een directe impact op de dagdagelijkse woon- en werkomgeving, en bieden ze kansen voor een grotere betrokkenheid van burgers.

Voor een echte doorbraak in de energietransitie is een opschaling nodig van perceel- of gebouwniveau naar, minimaal, bouwblok- of wijkniveau. Vele subsidies en instrumenten zijn vandaag vooral gericht op particulieren en individuele woningen. Kleinschalige initiatieven en individuele productie-units zijn uiteraard belangrijk en noodzakelijk om de cultuurveranderingen te helpen in de praktijk te brengen, maar zij zijn niet op schaal van de gewenste energie-omslag.  Individueel opdrachtgeverschap op schaal van de eigen gezinswoning is weinig geschikt voor onze ruimtelijke opgave voor kernversterking, maar er zijn ook sterke energetische en financiële argumenten voor een sterkere nadruk op het wijkniveau, als alternatief voor de individuele aanpak. Collectieve energiesystemen zijn immers performanter en energie-efficiënter dan individuele productie en consumptie: geschakelde energiesystemen verhogen de bevoorradingszekerheid en reduceren het benodigde vermogen tot 80% ten opzichte van de som van de individuele vermogensbehoeften, en dus ook de buffercapaciteit. Met andere woorden: collectiviteit is winst.

Die schaalvergroting vraagt om een ander planningsproces, dat een project niet pas aan het eind beoordeelt op vergunbaarheid en subsidieerbaarheid, maar dat van bij het begin inzet op een gezamenlijke ontwikkeling van ontwerp en strategie. De schaalvergroting vergt ook een professioneler en gedeeld opdrachtgeverschap, en andere spelers om burgers in dergelijke projecten te begeleiden of te ‘ontzorgen’. Er is nood aan nieuwe coalities tussen privaat en publiek, aan nieuwe makelaars of energieregisseurs die die coalities belichamen en die taken uit handen kunnen nemen van individuele burgers.

De energietransitie, als ruimtelijke, maar ook als socio-economische opgave en als governance vraagstuk, dwingt ons om ons anders te organiseren, vooral op die schaalniveaus waarop we nu weinig georganiseerd zijn: de regio en de buurt. Het is aan Vlaanderen en aan Europa om de taakstelling en het kader uit te tekenen, en aan de regio’s en lokale actoren om, op basis van de eigen energiepotentie, verder invulling te geven aan de gewenste energiemix en de nodige transformatie.

De Lage Landen als mozaïek van Solaria: diverse Europese energielandschappen, gebaseerd op de Map of Eneropa. Bron: Lage Landen 2030-2100, Architecture Workroom, bewerkte kaart gebaseerd op Roadmap 2050: A practical guide to a prosperous, low-carbon Europe, European Climate Foundation, 2010, p. 122, Office for Metropolitan Architecture

Naar een collectieve aanpak

De energietransitie moet ook plaats vinden in de hoofden van mensen, en vergt dus een cultuuromslag. De Vlaamse Bouwmeester Leo Van Broeck pleit voor ‘ruimtelijke nederigheid’. Zoals we campagnes voeren voor minder vleesconsumptie, moeten we wellicht ook pleiten voor minder energieverbruik, en minder ruimte-inname. Maar om meer betrokkenheid en eigenaarschap bij burgers teweeg te brengen, is het ook belangrijk om een toekomst, niet van verlies, maar van winst te schetsen.  De omslag in energie niet als iets wat we opgelegd krijgen, maar als een verbetering van onze leef- en woonomgeving.

Coöperatieve projecten, met betrokkenheid van burgers, bieden meer kansen voor een groter gedeeld eigenaarschap bij investeringsprojecten en zullen daardoor minder vaak weerstand oproepen. Door modellen uit te werken waarbij burgers de kans geboden wordt mee te investeren en te delen in de winsten van energieprojecten, kunnen we de huidige NIMBY houding (not in my backyard) tegenover grootschalige projecten laten evolueren naar een PIMBY mentaliteit (please In my backyard).

Om werk te maken van een echte collectieve aanpak, op wijkniveau, zullen we nieuwe businesscases moeten ontwikkelen, niet om nog meer duurzame wijken op greenfields te ontwikkelen, maar vooral om de bestaande bebouwde te omgeving transformeren. We hebben nieuwe (financiële en juridische) instrumenten voor samenwerking nodig, aangepaste regelgeving,  en we zullen nieuwe vormen van collectief opdrachtgeverschap en nieuwe strategieën voor wijk- of buurtcoöperaties actief moeten ondersteunen. Die nieuwe concepten en coalities zullen pas echt kunnen doorbreken als er ook actief wordt op ingezet door een soort energiemakelaars of –regisseurs.

Drempels verlagen, solidariteit bewaken

De overheid heeft zich de energietransitie tot doel gesteld, maar bij burgers en bedrijven is er nog onvoldoende inzicht in wat hun bijdrage kan zijn. Om ook hen mee een deel van de verantwoordelijkheid te laten opnemen, is ook een evolutie nodig in de rol van de  Vlaamse en lokale overheden: van faciliterend en subsidiërend, naar het veel actiever stimuleren van gewenste stads- of transformatieprojecten op de juiste plekken, en het ondersteunen van de schaalvergroting, de collectieve aanpak en de nieuwe spelers daarvoor nodig.

In de transformatie van het bestaande gebouwde patrimonium ligt een belangrijke deelopgave van de energietransitie. De meest dichtbevolkte wijken in onze steden zijn vaak ook grote energievreters. Veel woningen zijn verouderd en slecht geïsoleerd.. De opgave voor deze wijken is drievoudig: we moeten de energieverliezen reduceren, het verbruik terugdringen en zelf meer energie produceren.

De transformatie van ons patrimonium vergt daarom meer dan louter renovatiepremies, die uitgereikt worden onafhankelijk van de plek of de staat van de woning. Het subsidiebeleid gericht op particulieren bestendigt deels onze ruimtelijke versnippering, en bemoeilijkt een collectieve aanpak en schaalvergroting, vooral bij renovatie en vernieuwbouw. Bovendien hebben de huidige subsidiesystemen ook een Mattheus-effect: van de renovatiepremies en premies voor hernieuwbare installaties zoals PV-panelen profiteren vooral degene die het zich al kunnen permitteren. De problematiek van energiearmoede in bepaalde stadsdelen wordt er niet mee aangepakt. Verder zijn een aantal van die premies voordeliger voor bewoners van verkavelingen dan voor de bewoners van een dicht stadsweefsel: het isoleren van de buitenschil, maar ook het plaatsen van PV-panelen in de juiste oriëntatie, is makkelijker uit te voeren bij vrijstaande woningen, terwijl we net het stedelijke weefsel willen promoten als duurzamer en energie-efficiënter. Aangepaste regelgeving en financiering is één manier om selectiever te zijn in de projecten en de plekken die we willen ondersteunen, maar er kan ook aan een actiever ondersteuning uitgewerkt worden om gewenste, coöperatief opgezette projecten te ondersteunen.

Decentrale energieproductie en -consumptie, waarbij burgers zelf meer instaan voor hun energieopwekking, -netwerk en -opslag, kan zonder sterk sturend overheidskader ook leiden tot maatschappelijk minder gewenste ontwikkelingen. Zo bestaat de mogelijkheid dat sommige burgers of bedrijven zich loskoppelen van het grid en niet meer willen meebetalen aan het grotere netwerk. Dit net wordt dan onbetaalbaar, of de kosten worden afgewenteld op sociaal zwakkeren en/of degenen die niet in staat zijn zich los te koppelen. Met de verandering van het energiesysteem gaat bovendien ook een gevaar voor nieuwe afhankelijkheden gepaard, waarbij onze afhankelijkheid van grote – al dan niet buitenlandse – energieleveranciers, wordt ingeruild voor of aangevuld met een afhankelijkheid van de databeheerders met kennis over wat, waar, wanneer geproduceerd en geconsumeerd wordt.

Ook hier is een regierol nodig vanuit de overheid, en een debat over wat we privaat (al dan niet coöperatief) en wat we publiek organiseren, om de solidariteit te bewaken, om te verhinderen dat bepaalde enclaves zich afsluiten, en om te garanderen dat ook sociaal zwakkeren een plek krijgen in wat Dirk Vansintjan omschrijft als de nieuwe ‘energiedemocratie’[5].

Klimaatdoelstellingen als afwegingskader

De manier waarop we onze inspanningen meten, is niet altijd geijkt op het behalen van het maatschappelijk meest wenselijke resultaat. We denken vaak ten onrechte dat we duurzaam zijn. Een vrijstaande nieuwbouwwoning, gebouwd volgens de passiefstandaard, op een plek niet of slecht bediend door openbaar vervoer en met twee bedrijfswagens voor de deur, scoort in het totale energieplaatje slechter dan een licht geïsoleerde 19de -eeuwse rijwoning in de stad, maar wordt niet zo beoordeeld. [6]

In plaats van energieprojecten of investeringen te beoordelen aan de hand van hun effect op de huidige leefomgeving moeten we keuzes maken die ons helpen de ambitieuze klimaatdoelen te halen. Dit kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat we in gebieden met een lage bebouwingsdichtheid particuliere belangen en woonwensen  als ondergeschikt beschouwen  aan de noodzaak tot productie van hernieuwbare energie via windturbines. Een doortastend energiebeleid kan niet langer om dergelijke ruimtelijke keuzes heen.

Dirk Sijmons citeert de filosoof Peter Sloterdijk wanneer hij de afgelopen zeventig jaar de periode van het ‘fossiele expressionisme’ noemt. We zijn gewend geraakt aan vlot beschikbare fossiele energie, en de manier waarop we leven – inclusief drie vliegvakanties per jaar – is daar een gevolg van.  De energieomwenteling wordt bemoeilijkt door het feit dat tot nu toe economische ontwikkeling erg afhankelijk blijft van fossiele energie en dus van CO2. Willen we de uitstoot drastisch naar beneden halen, dan is een realistische CO2-prijs de eerste stap, waarna hernieuwbare energie de nieuwe belangrijke economische driver kan worden.

In discussies over energie en duurzaamheid leggen we vaak de nadruk op hernieuwbare elektriciteitsproductie, maar over warmte en brandstoffen hebben we het veel minder. Nochtans neemt ook de warmtevraag een aanzienlijk aandeel in ons verbruik in, en ook de brandstoffen die gebruikt worden voor transport. En wat veelal pas als laatste aan bod komt, energiebesparing, zou eigenlijk als prioriteit en eerste actie voorop moeten staan. Van alle geproduceerde energie wordt immers maar 25% nuttig gebruikt – de rest gaat verloren door transport, lekverliezen etc. – waardoor je voor elke megawatt die je uitspaart, drie megawatt extra niet hoeft op te wekken. Wanneer we energiebesparing voorop stellen in al onze plannen, worden kernversterking en verdichting des te belangrijker.

Verbeelden

Om burgers, ondernemers en overheden mee te laten bouwen aan de energietransitie, ligt er ook een opgave voor ontwerpers om te verbeelden wat die toekomst kan betekenen en welke meerwaarde ze biedt. Een cartografie voor de verschillende regio’s in Vlaanderen en Nederland  kan helpen de taakstellingen te verbeelden.  We denken bijvoorbeeld aan potentiekaarten en scenario’s die productie- en reductiemogelijkheden per regio en per dichtheidstype of woonomgeving verbeelden.  

Maar ook op de kleinere schaal van de wijk kunnen we voor verschillende dichtheden, morfologie en landschappen verbeelden wat de mogelijke oplossingen zijn. Door type-opgaven te definiëren, kunnen verschillende wijken en steden van elkaar leren: de transformatie van een negentiende-eeuws bouwblok vergt een andere strategie dan die van een – al dan niet goed gelegen – verkaveling. Die toekomstverbeelding moet niet enkel onderzoek doen naar de ‘vormgeving van de leefomgeving’, maar evenzeer naar de winsten die we kunnen boeken (financieel en kwalitatief), naar de businesscases die nodig zijn om die transformaties te realiseren, naar het soort sturing of regie vanuit de overheid, en naar de (nieuwe) afhankelijkheden (van onder meer data) die we al dan niet tolereren.

Ontwerpend onderzoek en een procesaanpak waarin de energierekenaars en ontwerpers samen aan de slag gaan zijn broodnodig om de enorme opgave waar de energietransitie ons voor stelt waar te maken. Want 2030 is morgen al, 2050 overmorgen.

Dit stuk is een samenvatting van de lezingen en het debat met Dirk Sijmons, Freek Persyn, Geert Haenen, Dirk Oudes, Peter Vanden Abeele, Leo Van Broeck, Dirk Vansintjan, Ben Caussyn en de talrijke deelnemers aan deze sessie en verscheen eerder in Tijdschrift Ruimte, jaargang 2017, editie 35 in co-auteurschap met Hans Tindemans.


[1] Cijfers uit het LABO RUIMTE onderzoek ‘Lage Landen 2030 – 2100’

[2] In ‘2050 – An Energetic Odyssey’ werd door Dirk Sijmons, Maarten Haijer, H+N+S Landschapsarchitecten en Ecofys een concept voor grootschalige windenergie op de Noordzee uitgewerkt, in kader van IABR 2016. https://www.iabr.nl/nl/projectatelier/atelier2050

[3] Zie o.a. Energiekansenkaarten van VITO. De ruimtelijke voetafdruk en energiepotenties werden in kaart gebracht oa door Posad et al in het LABO RUIMTE onderzoek ‘Energielandschap Vlaanderen’, en in het boek ‘Landschap en Energie’ dat Dirk Sijmons schreef met Jasper Hugtenburg, Anton van Hoorn en Fred Feddes.

[4] Met een regio bedoelen we een aaneengesloten groep van gemeenten die vanuit ruimte en energie min of meer een logisch geheel vormen. Afhankelijk van de criteria zouden dat zo’n 15 à 20 regio’s kunnen zijn in Vlaanderen.

[5] In ‘De energietransitie naar energiedemocratie’, voert Dirk Vansintjan een pleidooi om de energietransitie niet passief te ondergaan, maar om ons als burgers te verenigen en actief de transitie actief in handen te nemen.

[6] Han Vandevyvere & Yves De Weerdt,  Naar een systeemkijk op wonen: van woningtypologie naar levensstijlbenadering, lezing op 05 mei 2017.

DESIGNING THE FUTURE — DEBATTENREEKS

Verschillende globale en lokale uitdagingen nemen vandaag steeds vaker de gedaante aan van complexe ruimtelijke vraagstukken: van energietransitie over de vermaatschappelijking van de zorg tot duurzame mobiliteit. Dat vertaalt zich in een vernieuwd geloof in het potentieel van ontwerp om onze toekomst mee in de gewenste richting te sturen. Er werden de voorbije jaren heel interessante en vernieuwende beleidsinitiatieven, projecten en verkennend ontwerpend onderzoek verricht binnen LABO RUIMTE, stedelijke trajecten en biënnale-ateliers. Welke lessen kunnen we eruit trekken? Waar staan we nu? Maar vooral: wat zijn de volgende stappen? Op welke manier brengen we beleidsintenties in de praktijk? Hoe en met wie gaan we aan de slag?

Met Desiging The Future wilden de initiatiefnemers kennis, inzichten en ervaringen uit de gelopen trajecten uitwisselen, en via het gesprek tussen ontwerpers, bedrijven, middenveld, overheidsinstanties en kennisinstellingen, ook een aanzet maken voor een gedeelde agenda voor het ontwerpen aan een betere toekomst.

De zeven thema’s:

1. The Healthy City – de gezonde en sociaal inclusieve stad

2. Energy Regions – ruimte maken voor de energietransitie

3. The Productive City – economie en productie in het stedelijk weefsel

4. Visionary Housing – collectieve woonopgaves

5. Designing With Flows – de circulaire stad

6. Less Infrastructure, Better Mobility – maatschappelijke en technologische innovaties voor betere bereikbaarheid

7. Ambitious Open Spaces – offensieve strategieën voor de wateropgave

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s