Steden zijn voortdurend in verandering. Nieuwe architectuur- en stadsprojecten hebben een grote impact op de leefomgeving van bewoners, maar niet alle bewoners hebben inzicht en inspraak in hoe die veranderingen aangestuurd worden. Twee initiatieven – het Farrell Centre in het Verenigd Koninkrijk en Track in Brussel – trachten dit te verhelpen door letterlijk ruimte te bieden voor gesprek. Het Farrell Centre, voortbouwend op het model van urban rooms, legt de nadruk op het vergroten van de kennis over stadsontwikkeling, Track werkt aan gemeenschapsvorming zodat lokale bewoners er beter in slagen voor hun rechten op te komen. Beide willen een breder doelpubliek bereiken en dat publiek een stem geven: de een zet in op emancipatie door verheffing, de ander op emancipatie door vereniging.
Het belang van de plaats
Het ontwerp en de toekomstige ontwikkeling van de stad en de buurt waarin we wonen, belangt iedereen aan, maar stadsplanning wordt vaak gepercipieerd als een top-down en weinig transparant proces van politieke en ambtelijke beslissingen, een black box waar gewone burgers – in tegenstelling tot ontwikkelaars – geen toegang toe en medezeggenschap in hebben. Daarom moet elke stad een plek hebben waar gesprek over erfgoed, ontwerp en placemaking mogelijk is, waar je kan leren over het verleden en debatteren over de toekomst van de stad, en waar ook moeilijk bereikbare groepen hun weg naartoe vinden: een urban room.
Dat is althans een van de aanbevelingen van The Farrell Review, waarin een groep experts onder leiding van architect Terry Farrell, en in opdracht van de Britse regering, een onafhankelijke evaluatie maakte van de architectuur en de bebouwde omgeving.[1] Het hieruit voortvloeiende rapport, gepubliceerd in 2014 onder de titel Our Future in Place, formuleerde een reeks van acties en aanbevelingen om de bebouwde omgeving onder de aandacht te brengen in het onderwijs, het politieke én publieke debat, niet enkel gericht op beleidsmakers of ontwerpers, maar met de intentie om een bredere betrokkenheid te creëren bij de plekken waar we wonen en werken.
Het begrip ‘plaats’ stond centraal in de resultaten van The Farrell Review en heeft verschillende betekenissen: PLACE is een acroniem voor de disciplines die betrokken zijn bij het ontwerpen van de gebouwde omgeving: Planning, Landscape, Architecture, Construction en Engineering, en staat voor de behoefte aan interdisciplinaire uitwisseling en samenwerking tussen deze kennisgebieden. Het centraal stellen van ‘plaats’ gaf ook aan dat de focus niet beperkt mag blijven tot het ontwerp van individuele gebouwen, maar een meer holistische blik op de bebouwde omgeving als vertrekpunt moet hebben. De nadruk ligt op het belang van plannen op maat van de specifieke plek, haar betekenis, geschiedenis, gebruikers, bewoners en lokale organisaties, én op dat van placemaking, ervan uitgaand dat de planning, het ontwerp en het beheer van publieke ruimtes niet enkel door professionele stadsmakers maar in samenwerking met de lokale gemeenschappen dient te gebeuren. En precies dat is waar urban rooms een rol te spelen hebben.
In navolging van The Farrell Review ontstond in 2015 het Urban Rooms Network, waarin goede praktijken gedeeld worden tussen de vele urban rooms die ondertussen werden opgericht in het Verenigd Koninkrijk.[2] In de praktijk zijn er grote verschillen in de manier waarop, door en voor wie die urban rooms ingericht worden, afhankelijk van de context en de initiatiefnemers. Volgens het Urban Rooms Network kunnen ze nuttig zijn voor lokale gemeenschappen die meer inspraak willen, voor lokale besturen die burgers beter en op andere manieren willen betrekken bij stadsplanning, voor ontwerpers die willen experimenteren hoe ze sociaal engagement inbedden in hun praktijk, of voor onderzoekers en docenten die samenwerkingen met burgerorganisaties willen aangaan.
Elke urban room heeft echter ook een eigen agenda, dus rijst de vraag wie dan – en dit hangt samen met de financiering – het eigenaarschap en de curatorrol opneemt. The Farrell Review formuleert een visie voor een urban room georganiseerd rond een maquette en met veel aandacht voor het stadsverleden, die dicht aanleunt bij klassieke architectuurcentra of stadsmusea met een meer institutionele setting. Het Urban Rooms Network daarentegen benadrukt het belang van een opendeurenbeleid en bottom-up programmatie als belangrijke condities opdat ook bevolkingsgroepen die in planningsprocessen ondervertegenwoordigd zijn participeren. De focus ligt nog steeds op de gebouwde omgeving, maar met bijzondere aandacht voor de gedeelde ruimte van straten, buurten en publieke ruimtes, en laagdrempelige creatieve activiteiten – zoals tekensessies, storytelling, collective mapping, bouwpakketten of interactieve maquettes voor kinderen, stadswandelingen, games, in-situ installaties,… – worden ingezet om de nieuwsgierigheid te prikkelen en bezoekers aan te zetten met een frisse blik naar de toekomst van hun buurt te kijken. Dat de urban room ‘op locatie’ ingericht wordt, middenin de plekken die ter discussie staan, is dan ook essentieel.
Curatorschap en eigenaarschap
The Farrell Review pleit ook voor een gemengde financiering van urban rooms, met middelen uit zowel de publieke als de private sector, waarbij geen van beide het exclusieve eigenaarschap kan opeisen. The Farrell Centre in Newcastle is in dat opzicht een interessant voorbeeld. Het is een urban room die, in vergelijking met andere, wellicht dichter aanleunt bij een culturele instelling. Het project werd geïnitieerd door de stichting van Terry Farrell zelf, die opgroeide in Newcastle en studeerde aan Newcastle University. Het Farrell Centre bevindt zich aan de rand van de universiteitscampus net ten noorden van het stadscentrum, in een oud Victoriaans warenhuis. Het gebouw beschikt over een galerij waar tijdelijke tentoonstellingen plaatsvinden op het gelijkvloers, met een etalage naar de publieke ruimte, en urban roomsop de bovenverdieping. De urban rooms zijn hybride ruimtes waar een aantal – soms ook digitale en interactieve – displays aanwezig zijn die tonen hoe de stad geëvolueerd is en hoe ze vroeger werd afgebeeld, maar die verder vrij ingevuld kunnen worden door groepen, van scholen tot de lokale erfgoedverenigingen, die er activiteiten willen organiseren die stroken met de missie van Farrell Centre om het trefpunt van gesprek rond de bebouwde ruimte te zijn.
De erfgoedwaarde en de grote vitrine op het gelijkvloers geven het Farrell Centre de allure van een museum of kunstgalerij. De actieve plint en een nieuw voorplein moeten het gebouw aantrekkelijk en toegankelijk maken en bezoekers naar binnen lokken. De verbouwing werd mee gefinancierd door de stichting van Terry Farrell zelf, maar Newcastle University, School of Architecture, Planning & Landscape bekostigt de werking en programmatie. Studenten en docenten investeren kennis en tijd en zijn op die manier betrokken bij de programmatie van de urban rooms. Farrell Centre wordt geleid door Owen Hopkins – curator, historicus en publicist. Hij en en zijn team zijn verbonden aan de universiteit maar geven er geen les, en dat Hopkins’ achtergrond zich situeert in de sector van architectuurcultuur speelt uiteraard ook een rol in de programmatie. De openingstentoonstelling in mei 2023, waar het silhouet van Michelangelo’s David in roze namaakbont werd getoond, en een installatie met mycelium, zwammen en schimmels, had tot doel om traditionele methodes en materialen om architectuur te maken in vraag te stellen, iets waar universiteiten en ontwerpopleidingen vandaag mee experimenteren, al is het wellicht niet het meest evidente thema om een nieuw en breder publiek kennis te laten maken met architectuur.
Farrell’s visie voor urban rooms werd eerder al vergeleken met het pleidooi, meer dan een eeuw oud, van stedenbouwkundige en socioloog Patrick Geddes om civiele musea in te richten waar bewoners een beter idee kregen van hun relatie tot hun omgeving en hoe die, in al haar gelaagdheid, tot stand is gekomen.[3]Beide vertrekken vanuit het idee dat educatie en informatie een eerste stap naar emancipatie zijn: je moet geïnformeerd zijn om te kunnen meespreken, en het laten zien van de complexiteit van stadsontwikkeling in het verleden, of de vele plannen die het niet gehaald hebben, kan instructief zijn. In zijn eigen Outlook Tower in Edingburgh combineerde Geddes museum met stedelijk laboratorium en onderzoek, een terugblik naar het verleden met reflectie op de toekomst.
Het idee ‘overzicht’ te hebben op wat er gaande is in een stad en hoe die zich ontwikkelt, vanuit een toren of aan de hand van een maquette, is echter onvoldoende om de vele, vaak asymmetrische, belangen die daarbij spelen in beeld te brengen én dat onevenwicht in representativiteit ook te counteren. Stad maken gaat over veel meer dan louter bouwen en de fysiek zichtbare activiteiten, maar even goed over het beheer en gebruik van publieke ruimtes, over wie zich die plekken kan toe-eigenen, over een gevoel van eigenaarschap en belonging.
Dat het Urban Rooms Network veel sterker inzet op een bottom-up programmatie is daarom verfrissend, maar wellicht ook noodzakelijk om gesprekken over architectuur en stadsplanning uit hun niche met een eigen, vaak erg hermetisch jargon te halen. Urban rooms moeten de stad niet zozeer of enkel overschouwen vanuit een toren of met de blik van een planner, maar zich ook op ooghoogte en toegankelijk, middenin het gewoel van de stad en de publieke ruimte plaatsen. Vele van de urban rooms die de afgelopen jaren in het VK zijn opgericht, bleven ver weg van het model van de klassieke culturele instelling. Sommige waren tijdelijk, of vestigden zich in leegstaande gebouwen of winkeletalages, zonder permanente tentoonstelling of al te vastgelegde programmatie, en soms ook met ruimte voor heel wat andere activiteiten (yoga, samen koken, makers spaces) die op het eerste zicht niet erg veel te maken hebben met stad maken, maar die helpen om het gevoel van eigenaarschap te vergroten. Er zijn ook urban rooms – zoals Live Works in Sheffield – waar architectuurlessen gegeven worden, en dat dwingt docenten om de taal waarin ze over architectuur en kwaliteit praten aan te passen, opdat het discours ook toegankelijk wordt voor en beter aansluit bij de leefwereld van bezoekers.[4]
Het Farrell Centre zelf verenigt verschillende ambities: het is een culturele ruimte met een eigen agenda en programmatie van tentoonstellingen en lezingen, een gemeenschapsruimte voor bottom-up participatie in planningsprocessen, en door zijn link met de universiteit is het een kennis- en onderzoekscentrum. De combinatie van die drie ambities maakt het tot een interessant experiment in hoe je vanuit verschillende perspectieven – van de architect in opleiding of als onderzoeker tot een buurtbewoner – een gesprek voert over stadsontwikkeling, maar het is tegelijk ook aartsmoeilijk om het evenwicht tussen die drie te bewaren en een gemeenschappelijke taal te vinden, en onvermijdelijk zal een van de ambities altijd de overhand nemen.
Wat is dan de impact op de bebouwde ruimte, en vereist die niet ook een koppeling met concrete projecten met concrete budgetten, en met de lokale stadsdiensten die de stadsvernieuwingsprojecten aansturen? Terry Farrell gelooft heel erg in het democratische proces, en dat door het belang van de bebouwde omgeving meer in het publieke debat te brengen, dit automatisch ook een impact zou hebben op de beleidsagenda. Maar, geeft Owen Hopkins aan, zo eenvoudig werkt het niet, en bovendien zijn burgers niet per definitie geïnteresseerd in die holistische blik op de gebouwde omgeving, maar wel in heel particuliere kwesties in hun buurt die hen persoonlijk aanbelangen.
In de planning voor de komende jaren komt er daarom, na de opstartperiode die diende om Farrell Centre op de kaart te zetten, meer focus op bepaalde stadsdelen, zowel in het centrum als meer suburbaan. In vergelijking met Londen zijn er in Newcastle niet erg veel grote stadsvernieuwingsprojecten, vertelt Hopkins, eerder incrementele veranderingen in het bebouwde weefsel die niettemin een grote impact kunnen hebben op de buurt. Maar tegelijk benadrukt hij de noodzaak om voorbij de grenzen van een relatief kleine stad als Newcastle te kijken. Er is een bredere, nationale of Europese, discussie gaande over de toekomst van steden, vele steden worden met dezelfde uitdagingen geconfronteerd die het Farrell Centre op de agenda wil zetten.
De inbedding in de universiteit creëert opportuniteiten, maar ook verwachtingen. De thema’s die curatoren of docenten zelf willen aansnijden, zullen niet altijd overeenstemmen met wat er bottom up leeft, het zijn soms net de thema’s – zoals klimaatverandering of mobiliteit – waarover in steden heel verschillende meningen bestaan en die conflict oproepen, maar precies daarom kan het belangrijk zijn om ze op de agenda te zetten, en een universiteit of een onafhankelijke curator kan in dat gesprek een andere, meer bemiddelende rol opnemen dan een overheidsdienst.
De twee ambities van urban rooms, om impact te hebben op de kwaliteit van placemaking enerzijds en participatie te verbeteren anderzijds, staan soms op gespannen voet met elkaar. Opdat bezoekers zich betrokken en gehoord voelen, is het van belang dat een urban room geen institutionele, maar een neutrale plek is zonder een vooraf – door de stad – bepaalde agenda. Maar om een daadwerkelijke impact te hebben op geplande stadsprojecten, is een engagement vanuit de stadsdiensten net wél noodzakelijk.
Tijdelijk gebruik als een daad van verzet
Een Brussels initiatief vertoont, hoewel de term er niet gekend is, een aantal gelijkenissen met de urban rooms. De tijdelijke ingebruikname in 2018 van de tot sloop gedoemde WTC-torens, door een architectuuropleiding, verschillende ontwerpbureaus en artistieke praktijken, en de organisatie van een spinoff van de architectuurbiënnale van Rotterdam, leidden er uiteindelijk tot Track, een ruimte om buurtbewoners een stem te geven bij de geplande stadsontwikkeling. Track bouwt verder op deze praktijk van tijdelijke bezetting van ruimtes in transitie en formaliseert ze.
Track is ontstaan vanuit een concreet stadsvernieuwingsproject, in de wijk rond het Brusselse Noordstation. Die Noordwijk kampt met heel wat uitdagingen: leegstaande kantoren, verouderde appartementsblokken, een aankomstbuurt waar vluchtelingen en daklozen een slaapplek zoeken in het openbare domein, een drugsproblematiek en trauma’s die samenhangen met de historische kaalslag in de wijk. In de jaren 70 van de vorige eeuw moest de volksbuurt rond het Noordstation wijken voor het Manhattanplan, een modernistische wijk met monofunctionele kantoortorens. De WTC-torens waren de erfenis van dat top-down en functionalistische planningsbeleid uit de jaren 70. Tegelijkertijd zijn er grote vastgoedprojecten op til. Nu de vraag naar kantoren is gedaald, en vele van de torengebouwen aan een update toe zijn, rijst de vraag welke nieuwe invulling de gebouwen kunnen krijgen, en hoe nieuwe ruimtevragen ingelost kunnen worden. De WTC-torens zouden in eerst instantie gesloopt worden, maar in de uiteindelijke herontwikkelingsstrategie werd gekozen voor maximaal hergebruik van de materialen.[5] Na een grondige renovatie biedt het nieuwe ZIN-project onderdak aan kantoren, een hotel en woningen.
Tijdens het ontwerpproces werden de WTC-torens tijdelijk bewoond door belanghebbenden, en functioneerden ze zo als hoofdkwartier en laboratorium voor het nieuwe project. Dieter Leyssen van het architectuurbureau 51n4e – het bureau dat ook mee het ontwerp voor ZIN tekende –, en een van de initiatiefnemers van Track, vertelt hoe ze ook lessen hebben getrokken uit die tijdelijke bezetting. Op de tijdelijke ingebruikname kwam immers ook kritiek: Lietje Bauwens en Wouter De Raeve, zelf ook tijdelijke bewoners, maakten een film die het gebrek aan aandacht voor de bewoners van de sociale woningen en de lokale buurtverenigingen aankaartte.[6] De film schilderde de operatie af als een manier om een hippe creatieve klasse naar de Noordwijk te lokken, die wel kon bijdragen aan een sociaal-artistiek project voor een inclusievere buurt, maar uiteindelijk vooral de herontwikkeling moest legitimeren.[7]
Track, een stadslabo voor onderzoek naar gedeeld en gemengd ruimtegebruik, opende in februari 2024 de deuren. Dieter Leyssen licht toe hoe het tijdelijk bewonen van de WTC-torens heeft geleerd dat je niet te snel mag gaan, omdat je dan verkeerde verwachtingen schept. In Track is er bewust gekozen om langzaam op te bouwen, om zo het vertrouwen tussen de partnerorganisaties en gebruikers van de ruimte op te bouwen. En wat wel goed werkte in de tijdelijke bezetting van de WTC-torens, het delen van tussenruimte door de verschillende organisaties, waardoor gesprekken en nieuwe partnerschappen ontstaan, is ook deel van de opzet van Track.
De ruimte bevindt zich binnenin het nabije Noordstation, in een voormalig spoorwegmuseum dat door de spoorwegmaatschappij voor twaalf jaar ter beschikking gesteld wordt aan negen organisaties, waaronder het architectenbureau 51n4e en Lab North (een vzw die mee gefinancierd wordt door de projectontwikkelaars uit de Noordwijk), maar verder vooral lokale verenigingen die op een of andere manier werkzaam zijn rond ‘stad maken’, zoals Urban Foxes, een organisatie van placemakers die vaak vergeten groepen betrekt bij het ontwerp van publieke ruimtes, Ten Noey, een lokaal gemeenschapscentrum, en Sew For Life, dat opleidingen mode-ontwerp biedt aan vrouwen met een migratieachtergrond. Een aantal van die organisaties hebben er hun vaste werkplekken, maar de ruimte is groot genoeg om plaats te geven aan andere activiteiten die in de missie van Track passen. Track heeft, net als de urban rooms, de doelstelling om de betrokkenheid van burgers bij de veranderingen in hun stad te vergroten, maar de manier waarop dit gebeurt is heel verschillend, en dat heeft ook te maken met hoe de ruimte gefinancierd én beheerd wordt. Het financieringsmodel is gebaseerd op solidariteit: er wordt bijgedragen naar vermogen, zodat de non-profit gebruikers minder betalen dan de profit-bewoners (waaronder het architectenbureau), en het verhuren van de eventruimte aan commerciële tarieven moet toelaten dat precaire sociale groepen er gratis gebruik van kunnen maken.
In de beginfase functioneert de plek eerder als een open ruimte die vrij ingevuld kan worden, zonder permanente tentoonstellingen. Later komt er wel een grote kaart van de Noordwijk waarop de geplande projecten getoond worden en bezoekers ook de voor hen betekenisvolle plekken kunnen aanduiden, van herkenningsplekken tot goeie buurtrestaurants.
Het daadwerkelijk laten samenwonen en samenwerken van die verschillende organisaties en groepen op één plek is ook een experiment in samenleven en stad maken in situ. Stad maken gaat immers niet louter om de stenen, maar ook om de opbouw van het sociaal weefsel en de programmatie van plekken, om gemeenschap creëren, om aandacht voor tewerkstelling. Om de stem van die lokale organisaties, die elk op hun manier stad maken, meer te laten doorwegen in het debat rond stadsvernieuwing is het belangrijk dat ze een fysieke plek hebben waar ze ook daadwerkelijk met elkaar in gesprek komen, waar ze een netwerk kunnen vormen, en door zich te verenigen ook een grotere impact kunnen hebben. Leyssen noemt het ‘meanwhile use as an act of resistance’, omdat het tegengaan van gentrificatie ook gaat over de versterking van het sociaal weefsel dat reeds bestaat in een buurt.[8]
In vergelijking met The Farrell Centre is de opzet breder en wendbaarder, en de focus ligt minder op ontwerp per se. Maar dat bredere format en partnerschap strookt wel met een typische stedelijke dynamiek en wat een stad tot stad maakt: de menging van verschillende groepen, actoren, belangen, activiteiten. In welke mate Track een daadwerkelijke impact kan hebben op de herontwikkeling van de Noordwijk zal nog moeten blijken, maar ook de meer klassieke, activistische Brusselse burgerverenigingen zoals Bral vinden er vandaag alvast hun weg naar en organiseerden er een discussieavond over de ‘black box’ in de Brusselse stedenbouw.
Track heeft de ambitie een neutrale plek te zijn die niet geassocieerd wordt met een overheid, een bedrijf of een ontwikkelaar: Leyssen noemt het een ‘witte ruimte’ die gebruikt en geprogrammeerd wordt door een aantal vaste partners maar die ook een safe space moet zijn voor meer kwetsbare groepen uit de buurt. Het is een delicate evenwichtsoefening om een publieke ruimte te creëren zonder het onveiligheidsgevoel dat in sommige delen van de Noordwijk bestaat binnen te halen. Track heeft geen vitrine naar de publieke ruimte (maar wel ramen met zicht op de perrons). Maar in de zomer trekken de organisaties naar buiten om, via tijdelijke installaties en programmatie rond buiten spelen, de publieke ruimte in de buurt te activeren.
Track ziet zichzelf als een experiment dat inspiratie kan bieden voor de hele Noordwijk. De stad eist immers dat ontwikkelaars een bepaald percentage in hun gebouw voorbehouden aan sociaal-cultureel programma. Volgens Leyssen hebben ontwikkelaars ook interesse in een ander soort publieke ruimtes om het gelijkvloers te activeren, en het ruwe ontwerp, de onaffe, niet gepolijste ruimte die Track biedt aan meerdere organisaties die haar delen, is een demonstratie van hoe het anders kan: een circulaire verbouwing, aan een lager budget omdat het niet aan de hoogste afwerkingsnormen moet voldoen, en die dankzij de verbouwing door een partner in de sociale economie ook bijdraagt aan de werkgelegenheid in de buurt. Het doel van Track ligt minder in het educatieve of in het naar buiten brengen van een eigen agenda, maar in het versterken van het netwerk tussen organisaties die – in tegenstelling tot ontwikkelaars – minder toegang hebben tot politici of stadsdiensten.
Architectuursector met een maatschappelijke rol
The Farrell Centre en Track leggen eigen accenten, maar beide zijn een experiment in het opentrekken van het debat rond stadsontwikkeling en architectuur. In het ene is het de universiteit, in het andere een architectenbureau, maar in beide gevallen neemt een actor uit de architectuursector een maatschappelijke rol op op de plek waar ze gevestigd zijn, en zet die de eigen positie in om te wegen op beleid of stadsontwikkelingsprojecten. Ze illustreren allebei de zoektocht naar nieuwe configuraties voor civiele actie in steden waar grotere machten en vastgoeddynamieken spelen waar burgers weinig vat op lijken te hebben.
In het Farrell Centre gebeurt dit door het naar buiten brengen en toegankelijk maken van de thema’s en uitdagingen waarrond ontwerpopleidingen werken, om het publiek hierin te betrekken, maar ook omgekeerd kunnen studenten kennismaken met de gebruikers van de plekken waarop ze ontwerpoefeningen maken, of zelfs ingezet worden in participatieprocessen voor concrete projecten van publieke ruimte.
Track is een experiment in hoe je in buurten in volle verandering aan lokale organisaties een stem kunt geven door hen letterlijk ruimte te geven. Die stem zal nooit even luid klinken als die van de ontwikkelaars aan de onderhandelingstafel, maar kan aan kracht winnen door hen een grotere zichtbaarheid in de buurt te geven, en door partnerschappen met meer gevestigde culturele organisaties, ontwerpbureaus of universiteiten aan te gaan.
In beide gevallen is het van vitaal belang om een ruimte ter beschikking te hebben die kan dienen als setting voor uitwisseling en de opbouw van een discours. Welke impact deze nieuwe civiele ruimtes, met universiteiten of ontwerpbureaus als bemiddelende organisaties, op langere termijn kunnen hebben op stadsontwikkeling, en in welke mate ze het onevenwicht in macht en vertegenwoordiging kunnen counteren, zal in de toekomst moeten blijken. De verschillende betrokken partijen hebben niet steeds gelijklopende belangen, en er bestaat ook altijd het gevaar dat dergelijke plekken gentrificatie in de hand werken of er onbewust toe bijdragen.
Het blijft een open vraag wat vandaag de dag een doelmatig model kan zijn voor burgerbetrokkenheid bij stadsontwikkeling, en welke rol nieuwe initiatieven en bemiddeldende instanties hierin kunnen opnemen. Uiteindelijk blijft het de opdracht van de overheid om in planningsprocessen en bouwprojecten te waken over de belangen van verschillende groepen, en ervoor te zorgen dat participatie niet beperkt blijft tot een pro forma oefening.
Veel dank aan Susan Holden, Maarten Liefooghe en Maarten Van Den Driessche, en aan Owen Hopkins en Dieter Leyssen, zonder wiens waardevolle input en feedback deze tekst niet tot stand had kunnen komen.
Deze tekst verscheen eerder in editie 120 van tijdschrift OASE.
[1] Our Future in Place, The Farrell Review of Architecture + the Built Environment (2014). De Review werd besteld nadat de regering in 2011 de Britse Commission for Architecture and the Built Environment (CABE) had opgeheven.
[2] https://urbanroomsnetwork.org/. Het urban rooms network word gehost door de UCL Bartlett School of Planning en is een van de werkgroepen van Place Alliance, een vrijwillig professioneel netwerk dat eveneens werd opgericht in de nasleep van The Farrell Review.
[3] Mark Tewdwr-Jones, Dhruv Sookhoo & Robert Freestone, ‘From Geddes’ city museum to Farrell’s urban room: past, present, and future at the Newcastle City Futures exhibition’, Planning Perspective, 35/2 (2020), 277-297.
[4] Carolyn Butterworth, directeur van Live Works, in gesprek met Owen Hopkins tijdens het eerste City Forum georganiseerd door het Farrell Centre, op 4 mei 2023.
[5] 51N4E & l’AUC (eds.), How Not to Demolish a Building. Ruby Press, Berlin (2022).
[6] Lietje Bauwens & Wouter De Raeve, WTC A Love Story (2020) & WTC A Never-Ending Love Story (2023).
[7] Julie Mabilde, ‘WTC A Never-Ending Love Story’, De Witte Raaf 226 (2023).
[8] ‘Meanwhile use’ wordt hier begrepen als de tijdelijke ingebruikname van leegstaande of onderbenutte gebouwen in afwachting van herontwikkeling. Het tijdelijk gebruik kan ook een impact hebben op de beslissingen – van architecten, beleidsmakers of ontwikkelaars – over de toekomstige herbestemming. Een uitvoeriger beschrijving van de lessen uit het tijdelijk gebruik van de WTC-torens is te lezen in: Dieter Leyssen, ‘Meanwhile Use as an Act of Resistance’, Joelho – Journal of Architectural Culture 9 Reuse of Modernist Buildings: pedagogy and profession (2018).